Ja, ik wil het over sport hebben!
Ditmaal geen mijmeringen over de staat van de wereld of de nieuwste waan van de dag. Vandaag gaat het over sport. Wie mij een beetje kent, weet dat mijn belangstelling daarvoor doorgaans beperkt blijft tot: leuk om zelf te doen, maar daarmee is het meestal ook gezegd. ;)
Toch wil ik het vandaag opnemen voor een sport die veel vraagt en weinig aandacht krijgt: acrogym. Een sport waarin kracht, techniek, discipline en vertrouwen samenkomen. Waar België internationaal sterk presteert, maar waar je in onze dagelijkse sportberichtgeving behoorlijk naar moet zoeken.
Dat verdient verandering.
En ja, mijn eigen zoon beoefent die sport. Eigen kind, schoon kind. Maar wie van dichtbij ziet wat hij, zijn teamgenoten en zoveel andere gymnasten ervoor overhebben, begrijpt waarom ik dit schrijf.
Zevenentwintig uur per week, naast de studies Onze oudste zoon begon op negenjarige leeftijd met acro. Eerst recreatief, vervolgens in competitie. Twee trainingen per week werden er vijf. Daarna volgde de topsportschool. Sinds 2023 traint hij als topsporter in Gent, samen met zijn teamgenoten in een mannenvier. Zevenentwintig uur per week. Daarnaast volgt hij een universitaire opleiding.
Straffe kost, vind ik.
Mijn echtgenote en ik hebben van dichtbij gezien wat daarvoor nodig is. De planning, de vermoeidheid, het blijven proberen wanneer iets niet lukt. Trainen wanneer het buiten vijfendertig graden is. Omgaan met blessures, herstellen na ziekte en telkens opnieuw het ritme vinden. Via hem leerden we ook de inzet van zijn teamgenoten kennen. Want die zevenentwintig uur maak je samen. Je stemt je leven op elkaar af, werkt naar dezelfde wedstrijden toe en draagt samen de verantwoordelijkheid voor wat er op de vloer gebeurt. Tijdens een wedstrijd ziet het publiek een oefening van enkele minuten. De sporters kennen alle uren die daaraan voorafgingen. De herhalingen, de correcties, de trainingen waarop alles lukt en die waarop niets vanzelf lijkt te gaan. Precies daar zit een verhaal dat meer mensen zouden mogen zien.
In sportcommentaren wordt graag gesproken over teamgeest. Bij acrogym krijgt dat woord een bijzonder concrete betekenis. Je draagt elkaar. Je gooit elkaar omhoog. Je vangt elkaar op.
Je moet je eigen lichaam beheersen en tegelijk volledig op je teamgenoten kunnen rekenen. Een aarzeling, een verkeerde timing of een verlies aan concentratie kan gevolgen hebben voor iedereen in de oefening. Dat vraagt meer dan individueel talent. Het vraagt verantwoordelijkheid, geduld en de bereidheid om samen eindeloos te herhalen. Je moet elkaar kennen, aanvoelen en vertrouwen. Ook wanneer het moeilijk gaat. Een resultaat behoort hier dan ook aan het hele team toe. Iedereen heeft zijn rol, iedereen is nodig. Wie naar één gymnast kijkt, ziet maar een deel van de prestatie.
Dat maakt acro voor mij zo bijzonder. En het maakt de sport boeiend om naar te kijken, als mensen tenminste de kans krijgen om haar te ontdekken.
Hoe kan een wereldprestatie zo stil voorbijgaan?
Twee weken geleden vond het WK acro plaats in Pesaro, Italië. Drie Belgische teams namen deel. Alle drie behaalden ze een finaleplaats. Het mannenvier werd vicewereldkampioen in de balancediscipline.
Vicewereldkampioen! Dat is een prestatie waarvoor jarenlang wordt gewerkt. Waarvoor sporters hun dagen plannen, keuzes maken en telkens opnieuw de trainingszaal binnenstappen.
Toch heb ik daar in de media nauwelijks iets over gezien. Ik miste de verslagen, de interviews en de belangstelling voor de teams achter die resultaten. Voor een land dat graag meeleeft met zijn sportkampioenen, vind ik dat moeilijk te begrijpen. Uiteraard kunnen redacties niet elke wedstrijd verslaan. Er moeten keuzes worden gemaakt. Maar die keuzes mogen we af en toe ter discussie stellen.
Wanneer drie Belgische teams op een wereldkampioenschap een finale halen en een van die teams vicewereldkampioen wordt in een discipline, lijkt aandacht mij toch een redelijke verwachting.
Bekendheid begint bij aandacht
Voetbal, wielrennen en tennis hebben een groot publiek. Het is logisch dat media daar ruimte voor vrijmaken. Maar een sport die weinig in beeld komt, krijgt ook weinig kansen om een publiek op te bouwen. Zo blijft dezelfde cirkel bestaan: weinig bekendheid betekent weinig aandacht, en weinig aandacht houdt de onbekendheid in stand. Sportjournalistiek kan die cirkel doorbreken. Door verder te kijken dan de vertrouwde competities en namen. Door een internationale prestatie aan te grijpen om een minder bekende sport uit te leggen. Door de mensen erachter aan het woord te laten.
Hoe bouw je het vertrouwen op om elkaar metershoog te gooien en weer op te vangen? Hoe combineer je zoveel training met je studies? Wat gebeurt er met een team wanneer iemand geblesseerd raakt? En wat betekent het om na jaren werk samen op dat internationale podium te staan? De verhalen zijn er. Ze moeten alleen verteld worden.
Erkenning begint met gezien worden
Meer erkenning hoeft niet meteen te betekenen dat er duizenden euro’s prijzengeld of grote sponsorcontracten moeten komen. Het begint met een degelijk wedstrijdverslag. Een interview waarin een team over zijn traject kan vertellen. Beelden die tonen wat onze gymnasten op internationaal niveau presteren. Die aandacht mag bovendien verder gaan dan de topsportwerking. Ook in de Belgische clubs wordt hard gewerkt. Daar ontdekken kinderen de sport, leren ze samenwerken en zetten ze hun eerste stappen in oefeningen die aanvankelijk onmogelijk lijken. Trainers investeren er tijd, kennis en geduld in hun ontwikkeling. Op al die niveaus zijn er sporters die blijven oefenen tot iets lukt. Die leren omgaan met teleurstelling en verantwoordelijkheid opnemen voor elkaar. Hun inzet verdient waardering, ook wanneer er geen medaille tegenover staat. Een sport leeft dankzij al die mensen. Het zou goed zijn als onze belangstelling dat ook weerspiegelde.
Trots op mijn zoon, zijn teamgenoten en hun sport
Natuurlijk ben ik een trotse vader. Mijn echtgenote en ik hebben onze zoon zien groeien van een jongetje van negen dat aan zijn eerste trainingen begon tot een jonge man die topsport combineert met een universitaire opleiding. Maar wanneer ik hem op de vloer zie staan, zie ik het team. Ik zie wat hij en zijn teamgenoten samen hebben opgebouwd. Hoe ze op elkaar rekenen, elkaar opvangen en samen de druk dragen. Die trots voel ik voor hen allemaal.
En hoe langer je deze sport volgt, hoe meer je diezelfde toewijding herkent bij andere gymnasten. In de topsportwerking én in de clubs. Ieder met een eigen verhaal, maar met dezelfde liefde voor acro.
Mijn zoon is de aanleiding voor deze tekst. De vraag naar erkenning gaat over hen allemaal.
Daarom deze oproep aan onze sportmedia: geef acrogym vaker een plaats. Kijk naar de prestaties, leer de teams kennen en vertel de verhalen achter de oefeningen. Er valt zoveel te ontdekken voor wie de moeite neemt om te kijken.
Wij blijven langs de kant staan. Met ingehouden adem wanneer ze de vloer opgaan, met bewondering voor wat ze samen neerzetten en met open armen wanneer het eens tegenzit. Want we weten hoeveel werk, hoop en doorzettingsvermogen in die paar minuten samenkomen. En natuurlijk blijven we applaudisseren. Voor onze zoon, voor zijn teamgenoten en voor al die anderen die zoveel van zichzelf in deze sport leggen. Het zou mooi zijn als dat applaus wat verder mocht klinken dan de sporthal.
Foto werd genomen door Acrofoto.be